Inzetbaarheid

Veroudering en de invloed op inzetbaarheid.

Door: August Waal

De Adviesgroep Diversiteit van de Belastingdienst had de verschillende div-zaken in portefeuilles ondergebracht. In de portefeuille Levensfase van deze Adviesgroep hebben we ook aandacht besteed aan de “veroudering en de invloed daarvan op de inzetbaarheid”. De leden van genoemde portefeuille kwamen tijdens hun onderzoek het onderstaand artikel tegen, waarvan ze de ervaring met jullie willen delen.

Verschijnselen van veroudering
Tussen het 20e en 35e levensjaar bereiken mensen hun beste lichamelijke
prestaties. Alle fysieke systemen functioneren dan optimaal. Vanaf gemiddeld 35 jaar
neemt het lichamelijk vermogen langzaam af. Echter: lang niet alle lichamelijke
veranderingen zijn meteen merkbaar en bovendien zijn er grote verschillen tussen
mensen.

Niet-beïnvloedbare effecten van veroudering
Na het 45e levensjaar nemen conditie, spierkracht, gezichts- en gehoorvermogen
merkbaar af. Veel vijftigers hebben meer moeite om zware voorwerpen te tillen en ze
maken vaker gebruik van een leesbril. De verklaring ligt in afnemende spiercapaciteit
en toename van lichaamsvet ten opzichte van spierweefsel.
De gevolgen zijn:
· Afname van uithoudingsvermogen (sneller moe zijn)
· Langere hersteltijd (langer nodig hebben om te herstellen van fysieke
inspanning)
· Meer last van verstoord bioritme (na een jetlag of als gevolg van werken in de
avond en nacht).
Fysieke vermogens nemen af met het toenemen van leeftijd. Maar tegelijkertijd
nemen sommige mentale vermogens toe. Het analytisch en probleemoplossend
vermogen neemt over het algemeen toe. De verklaring zit in de toename van werken
levenservaring naarmate iemand ouder wordt.

Beïnvloedbare veroudering
De mate waarin de verouderingsverschijnselen zich manifesteren, verschilt tussen
mensen. Bovendien nemen de verschillen tussen mensen toe naarmate mensen
ouder worden. Pasgeboren, gezonde baby’s verschillen amper in hun ontwikkeling en
ontwikkelsnelheid. Hoogbejaarde mensen verschillen onderling sterk: sommige
kwijnen weg in een verpleeghuis, andere zijn maatschappelijk actief in
vrijwilligerswerk en vervullen met verve de rol van opa of oma.
De verschillen tussen mensen hebben onder meer te maken met:
· Chronische ziekte(n) of gebreken: hart- en vaatziekten, kanker, reumatische
aandoeningen etc.
· Leefstijl, onder meer:
· Mate van beweging
· Voeding en eetgewoontes
· Roken, alcoholgebruik
· Mate van ontspanning.
· Houding ten opzichte van (veranderingen in) het werk: veranderbereidheid,
leervermogen, betrokkenheid bij het werk, de organisatie en de klanten/
afnemers.
– Leefstijl en houding zijn beïnvloedbaar. En daarmee ook de snelheid en mate
waarin verouderingsverschijnselen zich manifesteren.

Effecten van veroudering op inzetbaarheid
De inzetbaarheid verandert bij het ouder worden, maar hoeft niet te verminderen.
Een aantal veranderingen manifesteert zich over het algemeen bij ouderen, maar
heeft als oorzaak slecht personeelsbeleid. Leeftijd heeft amper hiermee te maken.
· Veel ouderen met kennisintensief werk zijn sterk gespecialiseerd en daarmee
heel smal inzetbaar. Ze hebben last van ervaringsconcentratie: veel weten
van weinig. De oorzaak ligt in te lang hetzelfde werk doen, zonder bijscholing
of taakveranderingen.
· Veel ouderen met fysiek belastend werk hebben klachten aan het
bewegingsapparaat (nek, schouders, heupen, knieën). De oorzaak ligt
gedeeltelijk in het fysiek zware werk, maar vooral ook in:
· een tekort aan variatie: er zijn wel fysiek minder zware taken, maar die
worden veelal door één persoon verricht, terwijl de overige
medewerkers het zware werk uitvoeren.
· Onvoldoende of onjuist gebruik van de aanwezige hulpmiddelen om het
zware werk te verlichten.
· Leefstijl: medewerkers bewegen onvoldoende buiten het werk, eten
ongezond of roken en drinken (te) veel.
Met het toenemen van iemands leeftijd neemt de kans op lichamelijke beperkingen
weliswaar toe, maar dit heeft amper beperkende invloed op inzetbaarheid. Er zijn vijf
verklaringen:
· De invloed van veel lichamelijke beperkingen is te compenseren via
hulpmiddelen (bijv. een leesbril of een groter beeldscherm om afnemend
gezichtsvermogen te compenseren);
· Niet iedereen veroudert even snel; gezondheidsverschillen tussen mensen
zijn groot;
· Leefstijl heeft veel invloed op inzetbaarheid, vaak meer dan leeftijd. Een
gezonde leefstijl volgt uit onder meer bewegen, gezonde voeding, niet roken.
· Voor veel hedendaagse beroepen heeft de afname in fysieke gezondheid
amper invloed op inzetbaarheid. Veel banen doen vooral een beroep op
cognitieve en sociaal-emotionele vermogens (en die nemen niet af, maar
soms zelfs toe, met het toenemen van leeftijd);
· Afwisseling van werkzaamheden maakt dat fysiek zwaar werk langer kan
worden volgehouden. Ook (ergonomische) aanpassingen in de werkomgeving
of de hulpmiddelen dragen hieraan bij.

Conclusie
De inzetbaarheid van ouderen hoeft niet minder te zijn dan die van jongeren, maar is
wel anders. Door hier bij het toewijzen van taken rekening mee te houden, maken
organisaties optimaal gebruik van de sterke kanten van medewerkers in
verschillende levensfasen. Als daarnaast preventief beleid wordt gevoerd om
problemen die vaak samengaan met het ouder worden te voorkomen, zal de
arbeidsproductiviteit van een organisatie niet worden aangetast door de vergrijzing